Yule

Het is koud. Het is nat. Het is vies weer. De wind is guur en trekt aan alles dat ie onderweg tegenkomt. Ergens aan het eind van de middag loop ik met Joop (de hond) zijn rondje. Ik duik nog verder in mijn jas. Ik kijk op de kerktoren en zie dat het nog niet eens 17.00 uur en al wel helemaal donker. Geen sterren, amper maan en heel veel grijze, sombere wolken. Zelfs de hond kijkt me aan of hij echt verder moet lopen.
En net op het moment dat ik terugkijk weet de wind me vol in mijn gezicht te raken. En met dat ik verder mijn jas induik, duik ik ook in mezelf.
Ik voel me koud. En afgezien van de hond loopt er niemand op straat. Ik ben alleen. Alleen met Joop en mijn gedachten. Nare gedachten vol kou, ellende, donkere en zware gedachten. Ik merk dat iedere stap me meer moeite kost om te zetten. Iedere spier doet zeer. Ik ben moe. En voel me verslagen.

Plotseling zag ik in de struiken een klein lichtje. Klein, maar wel fel. Joop snuffelde eronderdoor zodat ik de tijd had en nam om dat lichtje goed te bekijken. Ik had het lichtje nooit gezien en wist zeker dat het me opgevallen zou zijn als ie er al eerder zou zijn geweest. Ik kwam dichterbij. Het lichtje verschoof een beetje van zijn plek en ik schrok. Maar mijn nieuwsgierigheid won het. Joop had niets door en was blij dat ie nog even snuffelen mocht aan zijn favoriete geurtje. Ik boog voorover om dichterbij het lichtje te komen. Ergens dacht ik dat het lichtje minder fel werd en ik kwam nog dichterbij. Veel dichterbij kon niet, want het lichtje zat verscholen in de hulst. En de natuurlijke bescherming van deze struik deed zijn werk uitstekend. Plotseling zat daar, ineens, een kleine koning voor me op een tak in de hulst. Hij had een klein gouden kroontje op en droeg prachtige, warme, wollen kleding. Hij keek me met grote ogen aan, stak zijn handje uit en zei: “Ik ben Hulskoning, zoon van Moederaarde en regeer over de periode van midzomer tot midwinter. Ik zorg voor donkerte, voor kou, maar ook dat iedereen naar binnen gaat. Maar dan vooral bij zichzelf. Dat ze mogen leren van wat ze hebben gezien, hebben gevoeld, geroken en gehoord. Dat ze ervaringen meenemen naar de toekomst en de liefde voor zichzelf blijven koesteren.”

Ik was perplex en vroeg hem: “Maar als u tot midwinter regeert, wie is dan zo meteen de koning en wat gaat u dan doen?” Hij antwoorde dat na de midwinterzonnewende zijn tweelingbroer de Eikekoning het weer over zou nemen. Zoals ieder jaar. Jaar in, jaar uit, eeuw in, eeuw uit. Van de winter, naar het voorjaar, de zomer en herfst, de cirkel die de bomen stuurt, de cirkel van dood en wedergeboorte. Van licht naar donker en weer terug. De Hulstkoning zei: “Nog even en dan moet ik het stokje weer aan mijn broertje overgeven, maar tot het zover is, wil ik eigenlijk nog een groot feest vieren! Zeker nu alles buiten grauw en vies is. Al mijn vrienden, de natuurwezens hebben dat wel verdiend. Ze hebben onnoemlijk veel werk verzet. Alle blaadjes van bomen losgekoppeld, zaad en sporen gecreëerd voor de Eikekoning. Maar ze hebben het koud en zijn moe. Neem een stuk van mijn struik, neem een den, zet deze lekker warm neer zodat de natuurwezens goed kunnen rusten en genieten. En als ie op een mooie plek staat komen ze vanzelf en zal je zien dat er steeds meer kleine, mooie, warme lichtjes in de takken tussen het groen zullen verschijnen. Ieder wezentje heeft zo’n mooi lichtje. Steek een kaars aan voor extra licht en warmte. Houden ze van! Ook van kransen trouwens. Zo mooi rond, zo rond als de cirkel van de seizoenen, van de zon en maan.

“Natuurlijk ga ik dat voor je doen!”, zei ik. `”Ik zorgen dat het een fijne plek wordt. Ik zal ze wat lekker geven om aan te sterken, ik zal zingen om ze te entertainen en vuur maken voor de warmte en fijne sfeer.” En zo geschiedde. Ik ging terug naar huis en ging rap aan de slag. Zorgde voor groen in huis, warmte en wat lekkers. En zoals beloofd kwamen er inderdaad lichtjes in de boom. Zo veel! Wauw! En ik raakte in de ban van al die pracht en liefde. Ik keek terug naar wat ik afgelopen tijd allemaal wel gedaan had. Wat allemaal wel gelukt was en kwam erachter dat ik me eigenlijk best wel heel erg fijn voelde. Warm en liefdevol. Ik hief mijn glas en proostte met de Berkenfee. We keken elkaar lachend aan. Ik zong een lied met de boskabouter (hij had een bizar mooie basstem) en danste met mijn vriendinnetje de kamer rond.

De hond duwde zijn kop tegen mijn been. “Ik weet het Joop, het is weer jouw tijd.” En samen gingen we naar buiten. Het was minder koud. Het was minder nat. Het is minder vies weer. De wind minder guur. En ergens aan het eind van de middag zag ik klein beetje licht, van sterren, van een beetje maan, maar vooral van het lichtje in mijn hart. De dagen werden weer langer. Ik keek naar de hulst. Daar zat de Hulstkoning op dezelfde tak als eerst. Hij keek me breeduit lachend aan, gaf me een vette knipoog en een dikke duim en verdween.

Geef een reactie