Godsamme! Allerlei ziekten schieten door mijn hoofd. Mijn hartslag zit letterlijk in mijn keel. Ik ben niet alleen verstijfd, het voelt zelfs alsof ik verlammend aan de grond genageld vast sta. De paarden stijgeren en bokken alle kanten op. De angst en pijn zijn onbeschrijfelijk. Hier kan geen bakkabouter tegen op.
De dag begon zo lekker, het zonnetje scheen over de velden. Het gras zag er mooi sappig en groen uit. Mijn humeur was opperbest. Ik hou van deze lekkere temperaturen. Met goede zin, een overdosis energie en met een zak vol paardenbrokjes ging ik richting stal.
De stal is een Happy Place. Geen zorgen, geen stress, gewoon de paardjes met hun baas. Zo ook deze dag.
Ik open de deur en groet de paardjes die al blij hinnikend hun koppen richting de deur draaien als teken van een terug begroeting. Ik pruts een halster/hoofdstel/lerending/ding-om-hun-kop-om-ze of-vast-te-houden-of-aan-te-lijnen over hun neus. Klik daar een touw aan vast en open de staldeuren. Die nooit in één keer opengaan. Een staldeur is vaak doormidden gezaagd zodat je zeker weet dat je al klooiend met een paard aan de riem extra irritante handelingen moet verrichten.
Eenmaal buiten word ik weer blij begroet door de zon en vergeet alweer het gedoe met deuren. (Ik weet niet zo goed of het deuren zijn of dat het een deur is….) Ik laat mijn paardje uit, de stal en wandel de zandbak door richting de wei. De heilige wei. De heilige, groene wei. De heilige, groene, lekkere wei en de paarden willen zóóó graag…… Maar ja, eerst nog door de zandbak. Het stuift en het doet, maar blijkbaar vinden ze dat leuk. En dan. Dan komt de ingang naar de weide. Deze is afgesloten zodat de paardjes niet weg kunnen lopen. De wei om omsingeld met een lintje. Aan dat lintje zit bij de ingang een handvat. Aan dat handvat zit een haak en die haak zit weer vast aan de paal. Door dat vrolijk ogend lintje gaat stroom.
De paardjes zijn blij en vrolijk en willen niets liever dan zo snel mogelijk het heilige gras op. Zo snel? Eigenlijk nog sneller en ongeduldig lopen ze mee. Ik stop bij de poort. Geeft een paardje een kroel en aai, geniet van de warme zonnestralen op gezichtje pak het handvat beet. Het gras schreeuwt zo hard naar de paardjes dat ze zich niet meer kunnen inhouden en vol enthousiasme dringen om naar binnen te kunnen. Om ze te gemoed te komen wil ik opschieten. En dat had ik nu juist net niet moeten doen.
Om op te schieten wil ik het handvat vlot loswurmen uit het gaatje waar het haakje in zit. Natuurlijk wil dit niet als je niet kijkt in welke richting het handigste is om het haakje eruit te trekken. Al helemaal niet als het dan het lint niet meer op spanning staat omdat je eraan trekt. En juist net dat ene kleine stukje loshangende 20cm lint raakt mijn arm….
Alle elektronen op een rijtje!!. Als een kudde op hol geslagen buffels denderen ze door mijn lijf. In de rare houdingen die ontstaan, waar de gemiddelde yogi jaloers op zou zijn, valt het handvat op mijn been en op dat moment besluit de gehele kudde buffels zich om te draaien en wederom dwars door mijn lijf hun weg te vervolgen.
Ik sta vast genageld op de grond. Ik zie drie melkwegstelsels rond mijn ogen zwermen. Verdwaasd, versteend en vol ongeloof kijk ik het rond. In de verte staan de paarden heerlijk te grazen. De grootste draait zich om: “Bedankt hè Baas!” en graast gemoedelijk verder…

